Wilt u ons werk financieel ondersteunen? Doe een kleine donatie en klik hier

De laatste updates in uw mail!

U hoeft niets te missen. leder weekend krijgt u de hoogtepunten van Maurice van afgelopen week in uw mail. Met opmerkelijke artikelen, meer achtergrond en toelichtingen.

Home » COVID-19 » Van A naar B, de Knikker en de Skippybal

Van A naar B, de Knikker en de Skippybal

Samenvatting van het artikel

Onderweg naar Terschelling wordt onze columnist Rogier Rumke geconfronteerd met bijna lachwekkende maatregelen, die ook de stewards tot kluchtig gedrag aanzetten. Hij overdenkt de crisis en reflecteert op het besmettingsgevaar dat er wel is, niet in het minst door de Deltavariant. Hoe zit het nu eigenlijk met besmettingen. Het wordt tijd dat hij zijn theorie hier uiteenzet.

Lees volledig artikel
Leestijd: 10 minuten

Hoera, we gaan naar Terschelling

Na 5 dagen fietsen, etappe voor etappe tegen de wind in ploeterend mogen we vandaag eindelijk een rustige dag tegemoet zien.
Probleem: alerts, waarschuwingen: Let op, aan boord gelden de regels voor het openbaar vervoer, u dient op de kades en terreinen van Rederij Doeksen en aan boord, ook aan dek, ten alle tijden een neus-mondmasker te dragen.

Ik moet zeggen dat het mijn voorpret op de overtocht knap vergalde. Het idee om met zo een vuil vodje de frisse waddenlucht uit te moeten filteren benam mij vooraf reeds een groot deel van het plezier. Hopen op kinlapjes was het enige dat restte.

In de rij wachtende fietsers leek het mee te vallen. Mondkapdragers waren in de minderheid. De kaartjescontroleur liep door de rij zonder commentaar. Aan het eind van de overkapte wachtrij vroeg ik aan de daar geposteerde steward of de mondkapplicht werd gehandhaafd aan boord. Ik legde uit dat ik door mijn longkwaal best opzag tegen ruim 2 uur zuurstofbeperking. De man antwoordde, slecht verstaanbaar door zijn met opdruk van de rederij versierde stuk textiel, dat hij de regel ook belachelijk vond maar dat men er niet al te streng op was. Als iemand iets zou zeggen moest ik maar op mijn medische toestand wijzen.

Op de boot

Aan boord kwam een groep stewards helpen de fietsen op zijn plaats te zetten, ze riepen de fietsers toe: “hier komt de mondkapjesshow, wilt u voor de vorm hier even uw mondkapje opdoen dames en heren, dan hebben wij ons werk ook weer gedaan”. Gelukkig, dat was het qua mondkapplicht. Verder werd iedereen met rust gelaten, en aan dek, windkracht 5 maar warm en zonnig, waren hooguit een stuk of 10 van de honderd mensen te vinden die zich veiliger voelden met bedekte mond.

Binnen echter was het andere koek. Tafels voor gezinnen, gescheiden door lappen neerhangend plastic. Daartussen gezinnen die wat moeilijk hun lunchpakketten aten, de mondkap af en toe oplichtend om plaats te maken voor het voedsel. Mochten die dingen helpen, zou men kunnen zeggen dat de actie niet geheel voor niets is.
Als reporter voor dit medium  zag ik meten als mijn plicht. Met enige gêne wandelde ik tussen de afgeschermde compartimenten door en constateerde dat in het gangpad het CO2 gehalte rond de 500 was. Echter, ja hoor, tussen de schotten liep het, afhankelijk van het aantal aanwezigen, op tot 1100 bij een groep van 8 waar ik, de meter onopvallend dragend, even een praatje maakte dat het wel erg hard waaide om op dek te zitten. Toen ik zelf met de kinderen even ging zitten liep de meter in een paar minuten op van de basis 500 naar 750, wegwezen dus. De rest van de overtocht bracht ik buiten door, op de grond, in de luwte van een grote oranje kist, af en toe opstaand om over de reling leunend te genieten van de zilte zeelucht. Die lucht die met forse noorderwind soms wel eens tot aan Amsterdam Oost doordringt, die lucht die mij altijd en overal direct terugbrengt naar de vele fijne vakanties op de wadden, van kinds af aan.

Het idee die lucht te moeten filteren maakt me boos. Ik kon niet anders dan onderweg te reflecteren op de situatie. De omroepende kapitein met Andreas-Voss-accent die ons ondanks het massale negeren toch nog eens meende te moeten wijzen op de mondkapplicht aan boord, ook aan dek. Wat is dit toch voor idioterie? Een schip waarop verantwoordelijke mensen, zonder na te denken over wat en waarom, maatregelen handhaven die nergens, maar dan ook nergens op slaan en tegelijkertijd andere maatregelen nemen die de situatie aanzienlijk verslechteren. Haal weg die plastic lappen aan boord en niemand zal besmet raken met de prima luchtverversing die dan rest.

De vergelijking die niet mag

Soms zijn er mensen die de coronacrisis vergelijken met de oorlog. Een lastige zaak, zeker de alleroudsten die de oorlog nog hebben meegemaakt zullen hierdoor terecht gaan steigeren. Maar er is één vergelijking die wel opgaat. De angst en indoctrinatie die leidt tot een volgzaamheid om zinloze maatregelen op te volgen. Mensen die, al dan niet nadenkend, de maatregelen handhaven en controleren. Het maakt dat ik nu begrijp hoe uiteindelijk een heel volk kan komen tot ongefundeerde haat jegens een bevolkingsgroep en handelingen verrichten die iedere redelijkheid tarten. Gelukkig zijn we nog lang niet zo ver, maar de eerste stappen op de weg die we nooit meer in mochten slaan zijn gezet. Op welk moment keren we om, het wordt echt nodig om daar niet te lang mee te wachten. Misschien dat de Britten ons vanaf 19 juli voorgaan op die weg, zoals de Texanen dat al in maart deden.

Een theorie

Hoe zit het nou met die tussenschotten die de kans op overdracht vergroten, met de buitenbesmettingen die, naar mijn overtuiging, onmogelijk zijn, met klaslokalen waar het openzetten van ramen soms helpt en soms niet, afhankelijk van de plaatsing van de ramen en de aanwezigheid van tussenschotten.

Beste lezers, ik ga mij nu op glad ijs begeven. Ik ga jullie een theorie voorleggen die ik op basis van mijn opleiding als psycholoog, archivaris, schrijver en trainer helemaal niet zou mogen maken. Ik waag mij er toch aan, noem het maar mijn ‘gut feeling’ gecombineerd met logica en veel lezen.

Bij onderzoek naar de besmettelijkheid van het virus zijn drie aspecten aan de orde, althans nadat men heeft vastgesteld dat het virus zich via uitgeademde of uitgespuugde druppels verspreidt. Daarover immers, is nauwelijks discussie. Het virus komt naar buiten met lichaamsvocht. We kunnen dus uitgaan van een normale hoeveelheid vocht die een gemiddeld persoon per dag naar buiten brengt. Dat is (los van intensief sporten of grote hitte) ongeveer één liter, verdeeld over drie gelijke delen: Koeling (zweten), ontlasting en ademhaling. Die laatste is waar hier het om gaat, 333 cc per normale dag. Verdeeld over druppels van vele formaten. De kleinste zijn 0,3 micron groot, de grootste tot wel 1000 (1 mm). Veruit het grootste deel daarvan verlaat onze mond en neus door normaal ademhalen. Als je goed verkouden bent is de verhouding: 14 delen kleine druppeltjes die te licht zijn om op de grond te vallen, deze hebben een gemiddelde grootte van 1 micron. Kom op, ik zet het in verhouding voor de duidelijkheid:  Een knikker. Dan gaat het om 14 zwembaden per uur. De grote druppels, met een gemiddelde grootte van 100 micron, worden uitgehoest, geniest, gespuugd tijdens het praten. Ze zijn vaak zichtbaar en vallen op de grond binnen die bekende anderhalve meter. Ze vormen in onze verhouding één deel. Een zwembad per uur aan skippyballen om het in verhouding te zetten.

A: De besmette persoon, de persoon die virus uitscheidt. Hoe veel, hoe lang, wanneer, asymptomatisch of alleen tijdens het hoesten, proesten en niezen, ik heb wel enig vermoeden, maar ik weet het niet. Ik laat het aan de virologen over.

B: De persoon die nog bevattelijk is voor het virus. Meestal niet gevaccineerd, meestal niet al besmet geweest, iemand die geen weerstand heeft opgebouwd voor het virus. De persoon die ziek wordt. Ook hier weer, ik heb mijn vermoedens, maar de immunologen, die hebben hier waarschijnlijk meer verstand van.

Van A naar B, de belangrijkste vraag

A-B: Onderweg van A naar B. Wat gebeurt er op die weg met het virus? Hoe stabiel blijft het? Wat zijn de omstandigheden die de stabiliteit verminderen. Dat kan je uitdrukken in een halfwaardetijd van het virus. Hoe groter de halfwaardetijd, hoe meer virus van A naar B kan komen in een bepaalde tijd. Wat voor invloed heeft afstand dan? Dat heeft in dit betoog geen betekenis, immers, als het virus in staat is onbeschadigd van A naar B te komen is afstand daarin een factor die, als deze van belang is, de halfwaardetijd onder bepaalde omstandigheden in grotere of kleinere mate bepaalt. Dus afstand is ook te reduceren tot halfwaardetijd van het virus onderweg van A naar B.

Het interessante is dat veel van deze aspecten van die uitermate belangrijke vraag wat er gebeurt tijdens de tocht van A naar B helemaal niet het terrein zijn van virologen en immunologen. Het is veel meer het terrein van natuurkundigen, scheikundigen, ingenieurs, experts op het gebied van vloeistofdynamica, biologen, meteorologen, bewegingsexperts en een hele rits meer disciplines.

Ik ben van mening dat in dit onderdeel, de weg van A naar B, de eerste en overweldigend belangrijkste vraag is of het virus zich OP of IN een druppel bevindt op die weg. Ik ga dat uitleggen aan de hand van de knikker en de skippybal.

Op deze verhouding heeft het virus een gemiddelde grootte van een speldenknop. In de longen, waar het meeste virus wordt geproduceerd, lift het virus mee met de druppels die daar gevormd worden, omdat de longen constant vochtig gehouden moeten worden, door het slijmvlies op de bronchi en tussen de miljoenen longblaasjes. Grotendeels, zo niet uitsluitend, zijn dat zeer fijne druppeltjes. Weet je nog, die 14 zwembaden.

Op of in de druppel, de kernvraag

De vraag is nu of het virus zich lekker voelt in een druppel, of juist niet. Naar het antwoord op die vraag ben ik lang op zoek geweest. Uiteindelijk heeft een bioloog mij een begin van een antwoord gegeven. Het virus houdt niet van water. De “lipide envelop” (vetdeeltje dat het omhult) stoot water af. Het komt niet heel door de oppervlaktespanning van de druppel. Als dit zo is, is het dus onwaarschijnlijk dat het virus zich in de druppel bevindt. Immers, grote druppels zijn samengesteld uit kleine druppels. Het virus komt dan in een waterige omgeving waarin het niet overleeft, althans, de lipide envelop, het vetbolletje, gaat stuk. Daarmee verliest het de sleutel tot de cel en daarmee zijn besmettelijkheid. Alleen de virusdeeltjes aan het oppervlak blijven intact.

Wat is dan het verschil? Wel, reken even met mij mee. Laten we voor het gemak even doen of het om vierkanten en kubussen gaat. Je kunt nu makkelijk zien dat er 100 x 100 x 100 = 1.000.000 blokjes van 1 cm3 passen in de kubus van 1 m3. Ja, zal je zeggen, dan bevat dus een gemiddelde druppel mogelijkerwijs een miljoen keer meer virus dan een zwevende aerosol. Maar daar gaat het niet om, het gaat om hoeveel virus wordt verspreid. Om de weg van A naar B. Laten we kijken naar het oppervlak, de mogelijkheid voor het virus om mee naar buiten te liften.

Het oppervlak van die kubus is 6 x 100 x 100 cm. Bij elkaar 60.000 cm2. Het oppervlak van een miljoen blokjes is 6 x 1 x 1 x 1.000.000 is 6.000.000 cm2.  Dat is 100 x zoveel voor dezelfde hoeveelheid uitgeademd vocht. Bij bolletjes gaat het niet om een factor 6 maar om een factor 3,14, dat maakt niets uit voor de berekening. Het oppervlak van een skippybal is dus ongeveer een wc-tje. Het oppervlak van al die knikkers samen van een basketbalveld. Die 14 zwembaden staan voor een factor 1400 keer meer aan oppervlak om virus mee te nemen dan dat ene zwembad vol met snot en spuug.

De evolutie doet de rest

Dus, als het klopt dat het virus zich OP en niet IN een druppel bevindt hebben we het over een factor 1400 verschil in capaciteit. Nu ben ik een groot gelover in de darwinistische theorie van overleving van de sterkste. Ik kan mij dus niet voorstellen dat de evolutie uiteindelijk niet deze uiterst efficiënte weg van verspreiding selecteert.

Echter, het betekent dat die 1400 keer meer virusdeeltjes onderweg van A naar B een hele hoop barrières moeten overwinnen. Zo zullen ultraviolet licht en andere straling het RNA van het virus aantasten. Maar één van de grootste problemen onderweg is, zeker op die schaal, het constante botsen van de dragende deeltjes met elkaar en vooral met ander vocht en vuildeeltjes die zich in de lucht bevinden.

Welnu, hier zit dus een groot deel van de oplossing van ons probleem. De deeltjes komen in de lucht andere druppels vocht tegen, als het klopt dat ze daar niet goed tegen kunnen dan gaan ze stuk. De halfwaardetijd gaat omlaag. Er blijft minder virus over om uiteindelijk B te besmetten. Echter, als de lucht vuil is komt het virus zwevend stof tegen. Die kunnen ze prima gebruiken als vervoermiddel. Dus meer fijnstof betekent een langere halfwaardetijd, dus een grotere kans voor het virus om van A naar B te komen. Ook kan het gebeuren dat de vochtdruppels neerslaan op gladde oppervlakken. Daar trekken de druppels elkaar aan, in de wirwar van vloeistoffen op die schaal, gaan die vetbolletjes waarschijnlijk heel wat sneller stuk. Denk maar aan wat er gebeurt met een druppel op een tafeloppervlak waarop je een druppeltje vet doet. Bekijk dan eens door een vergrootglas wat er gebeurt als twee druppels samenvloeien: een zeer gewelddadig proces op die schaal. De statistiek wijst uit dat dit ook gebeurt. Op oppervlakken overleeft het virus niet. De halfwaardetijd van het virus gaat dus weer omlaag. Minder besmetting is het gevolg.
Ook het zoutgehalte in de druppels speelt een rol, met name bij zeer hoge luchtvochtigheid zou dat weer tot een verhoging van de halfwaardetijd en dus verhoogde besmettingskans kunnen leiden, maar dat proces laat ik hier buiten beschouwing.

Zie je het nu voor je?

Na deze hele uiteenzetting hoop ik dat jullie met mij meekijkend in die microwereld zien wat er zou gebeuren als, zoals ik dus denk, het virus slecht tegen water kan en zich verspreidt op, en nooit in, druppels. Besef dat die virus dragende kleine druppeltjes per persoon uiteindelijk slechts 14/15 x 350 cc per dag vormen. Dat is 13,6 cc per uur. Je ademt gemiddeld 6 liter lucht per minuut, 360.000 cc per uur. Virus dragende deeltjes maken hiervan dus minder dan 0,004% uit. De hoeveelheid lucht om ons heen is echter vele, vele malen meer dan wat jij uitademt. Iedere beweging in de lucht zal de concentratie sterk verminderen. BEHALVE als de uitgeademde lucht zich ophoopt in de ruimte, bijvoorbeeld tussen die spatschermen, als steeds meer van de lucht in een ruimte eerder is in- en uitgeademd door een besmet persoon. Dan gaat de concentratie stijgen. Als die concentratie sneller stijgt dan de halfwaardetijd het virus opruimt stijgt dus de hoeveelheid overdraagbaar virus in de lucht en neemt de besmettingskans toe.

Uiteindelijk ligt het nog iets ingewikkelder, want bij zeer hoge luchtvochtigheid zullen grotere druppels langer instant blijven waardoor de halfwaardetijd weer toeneemt. Met behulp van de vloeistofdynamica kan je dit proces zeer nauwkeurig volgen en beschrijven.

Dan komt de evolutie om de hoek kijken. Hoe efficiënter dat proces verloopt hoe beter het virus verspreidt. Hoe beter het verspreidt hoe meer die variant de overhand zal krijgen. De halfwaardetijd is dus waar grotere besmettelijkheid vooral door wordt veroorzaakt. Niet omdat ik iets van het virus weet, maar omdat ik de evolutionaire processen en statistische kansen begrijp en omdat ik het proces, onderweg van A naar B, voor mij zie. Mijn ‘gut feeling’ zegt mij dus dat het op die manier moet gaan. De Deltavariant is beter beschermd tegen de botsingen met andere waterdruppels, de lipide envelop is stabieler. Dat is de beste weg om meer besmettelijk te zijn en dus de overhand te krijgen in virusland.

Ik daag de wetenschap uit

Ik hoop dat wetenschappers die dit lezen hier gaten in schieten, of op deze weg voortgaan in hun onderzoek. Ik hoop dat ik de Van Dissels, de Vossen, de Koopmansen en de Gommersen help om de besmettingskansen eens langs deze weg te bekijken, om uit hun paradigmatische cocon te stappen en met mij mee te kijken over de einder van hun rotsvaste geloof in overdracht via grote druppels.

Ik hoop dat ik de volgende overtocht van A naar B, van Harlingen naar Terschelling, niet meer wordt geconfronteerd met belachelijke niet werkende maatregelen zoals mondkapjes bij windkracht 5 en stupide infrastructuur die de veiligheid verlaagt zoals die idiote spatschermen (ook in supermarkten en cafés overigens).

Ik hoop dat goedwillende kids niet meer in afgesloten tenten op festivals worden gepropt en op school in onveilige klaslokalen. Ik hoop dat de horeca net zo veilig wordt gemaakt als de overvolle treinen waar de ventilatie wel op orde is. Het kan allemaal, het is niet zo moeilijk.

Ik hoop dat mensen die dit lezen denken: het is belangrijk genoeg om dit geluid hoorbaar te houden en een (kleine) bijdrage te storten. Klik hier voor een (kleine) donatie.

Deel dit artikel: Twitter Facebook Linkedin WhatsApp
REACTIES
Reageer hier, maar met respect.

We verwelkomen respectvolle en relevante opmerkingen. Off-topic commentaren worden verwijderd. Als je illegale dingen doet, zullen we het verbieden.

  • MEER OVER
BEKIJK OOK