Onderzoek onder gevaccineerden en ongevaccineerden

Op het coronadashboard staat informatie over de vaccinatiestatus van alle Nederlanders. Uit de verantwoording blijkt dat er een aantal problemen zijn rondom de nauwkeurigheid van de registratie en de definities. Zo worden degenen, die maar één keer zijn gevaccineerd, maar wel de afgelopen zes maanden positief zijn getest, niet als volledig gevaccineerd geregistreerd. Via een steekproefonderzoek onder de bevolking is een uitgebreider inzicht te geven van de cijfers op basis van de opgave van de ondervraagden zelf. Maar ook daarbij zijn er wat beperkingen: een steekproefonderzoek heeft marges van nauwkeurigheid en er is een onderrepresentatie bij inwoners met een buitenlandse herkomst bij Peil.nl.

Voor zover relevant zal bij een aantal tabellen/grafieken, daarop nog worden ingegaan.

Hieronder het overzicht van de vaccinatiestatus naar een aantal demografische kenmerken (leeftijd, geslacht en opleidingsniveau).

Opvallend is het verschil in vaccinatiestatus mannen en vrouwen. Onder de vrouwen is een duidelijk hoger percentage ongevaccineerd dan mannen. Als dan apart gekeken wordt naar leeftijd, dan is dat verschil vrijwel geheel toe te schrijven aan de leeftijdklasse onder de 45 jaar. Van die groep is 27% van de vrouwen niet gevaccineerd en 14% van de mannen niet. Bij de leeftijdklasse boven de 65 jaar is er geen verschil naar geslacht. Dat duidelijke verschil bij de vrouwen in de jongere leeftijdsklassen zal veroorzaakt worden door zorgen rondom vruchtbaarheid en mogelijke zwangerschap.

Er is ook een vergelijkbare grafiek gemaakt, maar dan naar de huidige politieke voorkeur.

Deze grafiek laat goed zien hoe groot de verschillen zijn tussen de aanhangers van de verschillende partijen. Terwijl bij D66-kiezers iedereen is gevaccineerd is dat bij 85% van de FVD-kiezers niet het geval.

Ook is de vraag gesteld of men wist of dacht dat men al een keer geïnfecteerd was geraakt met Covid-19. 12% zegt dat zeker te weten en 8% geeft aan te denken dat dit het geval is geweest. Gezien het feit dat er meer dan 2 miljoen positief getesten zijn in Nederland (12% van de bevolking) en het feit dat het RIVM aanneemt dat het aandeel geïnfecteerden daar een factor 2 á 3 boven ligt (o.a. ook omdat een deel van de geïnfecteerden geen symptomen hebben gehad), nemen we in de onderstaande tabel aan dat ook degenen die zeggen dat ze denken geinfecteerd te zijn geweest dat inderdaad zijn geweest. Bij de onderstaande tabel valt dan vooral op dat ruim 40% van de ongevaccineerden in Nederland aangeven dat ze al wel een infectie hebben doorgemaakt!

Op basis van deze tabel wordt geschat dat 1,29 miljoen Nederlanders niet gevaccineerd zijn en ook niet de infectie hebben doorgemaakt. Dat getal heeft een marge van ongeveer 200.000 naar boven of naar beneden. Naar beneden doordat er waarschijnlijk meer mensen geïnfecteerd zijn dan ze zelf aangeven (doordat ze geen symptomen hadden en zich niet hebben laten testen). En naar boven omdat het onderzoek een onderrepresentatie heeft van inwoners van niet-westerse herkomst.

Bijwerkingen

Aan degenen die gevaccineerd zijn, is gevraagd of die vaccinatie bijwerkingen heeft gehad. Dat splitsen we uit naar type vaccin. Belangrijk is te beseffen dat dit dus een zelf-rapportage  is. Dus het onderscheid tussen lichte en zware bijwerkingen is op basis van een subjectieve beoordeling.

Bijna de helft meldt geen bijwerkingen, 38% lichte kortdurende bijwerkingen. 8% meldt lichte bijwerkingen, die wat langer duurden. 5% meldt zware bijwerkingen. Dat zijn dus ongeveer 600.000 Nederlanders. De respondenten hebben bij zware bijwerkingen gemeld wat die zijn. Dat is een scala van antwoorden: lange tijd zeer moe wordt dan het meeste gemeld. Daarnaast lange tijd zware hoofdpijnen. Ruim 1% meldt ernstige klachten, die met hart en longen te maken hebben en in sommige gevallen tot ziekenhuisopnames hebben geleid. (Vanzelfsprekend is niet objectief vast te stellen of dit al dan niet door de vaccinatie komt).

Bij Lareb staan op dit moment 155.000 meldingen van bijwerkingen. Maar zowel de procedure van de aanmeldingen als de categorisering is niet 1-op-1 te vergelijken met dit overzicht, waarbij er dus rond de 600.000 personen zijn die menen dat ze zware bijwerkingen hebben gehad.

Inschatting van de risico’s

Al op eerdere momenten is vanuit gedaan onderzoek via Peil.nl gemeld dat er een grote overschatting is van zowel de eigen risico’s m.b.t. Covid-19 als die van mensen met dezelfde leeftijd. Ook deze keer is geprobeerd via een aantal vragen en uitsplitsingen een inzicht te geven in die inschattingen.
Eerst een overzicht van de inschatting van het eigen risico om binnen 3 maanden geïnfecteerd te worden uitgesplitst naar een aantal kenmerken. Ter referentie: Het laatste kwartaal vorig jaar werden 500.000 mensen positief getest. Dat is 3% van alle Nederlanders.

Deze tabel laat zien dat:

  • 24% van de Nederlanders denkt dat hij/zij een kans van meer dan 10% heeft om de komende drie maanden geïnfecteerd te raken.
  • Van de gevaccineerden denkt 27% dat hij/zij een kans van meer dan 10% heeft om geïnfecteerd te raken. Dat is groter bij de gevaccineerden met Janssen en AstraZeneca dan met Pfizer en Moderna.
  • Van de ongevaccineerden denkt 12% dat de kans groter dan 10% is, bij degenen die geïnfecteerd zijn geweest is dat 20%. (Ongevaccineerden zijn gemiddeld jonger dan gevaccineerden, dus dat beínvloedt deze inschatting).

Ten slotte is de vraag gesteld welke kans men denkt dat gevaccineerden en ongevaccineerden hebben om in het ziekenhuis te komen nadat men geïnfecteerd is geraakt. Als referentie kan gebruikt worden het percentage dat Prof. Van Dissel gebruikte bij zijn presentaties voor de Tweede Kamer van 1,5%.

(Bij de vraagstelling kon men percentages aangeven van onder de 1%, 1%, tussen de 2 en 5%, tussen de 6% en 9% en vervolgens steeds met klassen van 10% tot aan 100%. De weergave betreft dus optellingen van diverse antwoordklassen).

Deze grafiek laat zien, dat terwijl de kans om in het ziekenhuis terecht te komen als je geïnfecteerd was als ongevaccineerde vorig jaar werd geschat op 1,5%, de bevolking het volgende denkt:

  • 37% van de Nederlanders denkt dat ongevaccineerden een kans van 30% of meer hebben om dan in het ziekenhuis te komen. 55% denkt een kans van 10% of meer.  Als illustratie hoe sterk de kans wordt overschat is nog het volgende. 1 op de 6 Nederlanders denkt dat de kans voor een ongevaccineerde om – als die wordt geïnfecteerd – in het ziekenhuis te komen 70% of hoger is.
  • 8% van de Nederlanders denkt dat gevaccineerden een kans van 30% of meer hebben om dan in het ziekenhuis te komen. 24% denkt een kans van 10% of meer. 1 op de 30 Nederlanders denkt dat die kans dan 70% of meer is.

Deze grafiek krijgt nog een extra dimensie als gekeken wordt welke verschillen in beantwoording er zijn tussen degenen die zich niet hebben laten vaccineren en wel.

Deze grafiek moet als volgt gelezen worden:

De laatste twee kolommen:

  • 41% van de mensen die gevaccineerd zijn, denken dat een ongevaccineerde een kans van meer dan 30% heeft om in het ziekenhuis te belanden als hij geïnfecteerd raakt. Van de ongevaccineerden denkt 6% dat.
  • 6% van de mensen die gevaccineerd zijn, denken dat een gevaccineerde een kans van meer dan 30% heeft om in het ziekenhuis te belanden als hij geïnfecteerd raakt. Van de ongevaccineerden denkt 20% dat.

De eerste twee kolommen:

  • 14% van de mensen die gevaccineerd zijn, denken dat een ongevaccineerde een kans van ongeveer 1% heeft om in het ziekenhuis te belanden als hij geïnfecteerd raakt. Van de ongevaccineerden is dat 78%.
  • 43% van de mensen die gevaccineerd zijn, denken dat een gevaccineerde een kans van ongeveer 1% heeft om in het ziekenhuis te belanden als hij geïnfecteerd raakt. Van de ongevaccineerden is dat 54%.

Het laat goed zien hoe slecht de inschattingen zijn van de risico’s en tegelijkertijd hoezeer die gekleurd worden door de eigen opvatting ten aanzien van vaccinatie.

 

Het enorme verschil in perceptie en werkelijkheid van de Covid-19 risico’s

Inschatting van risico op ziekenhuisopname

De afgelopen week is in de VS een publicatie geweest van een onderzoek van Gallup. Het ging om de inschatting van de Amerikaanse bevolking hoe hoog de kans was op een ziekenhuisopnames als een ongevaccineerde Covid-19 zou krijgen. De resultaten zijn afgezet tegen de politieke voorkeur. Dit is de -bijzondere- grafiek van de uitslag van dat onderzoek.

In het rapport is berekend dat het juiste percentage in de VS 0,9%. Dus van de democraten heeft 5% het juist en van de republikeinen 22%.

Dit percentage van 0,9% wetende is het veelzeggend dat van alle Amerikanen 32% denkt dat het in werkelijkheid 50% of meer is en van de democraten dus 41%!

Dit lijkt enigszins op de uitkomsten van een onderzoek in juni 2020 via Peil.nl, waarbij gevraagd is wat men als sterftekans zag voor de eigen leeftijdsgroep als men besmet zou worden met Covid-19. De personen tussen 18 en 39 jaar schatte die kans een factor 500 maal zo groot als die werkelijk was.

De Nederlandse cijfers

Gisteren is via Peil.nl de identieke vraag gesteld als die Gallup in de VS stelde. Hoe hoog schat men de kans in dat een ongevaccineerde, die Covid-19 oploopt, in het ziekenhuis belandt. Dit zijn de resultaten, waarbij we de cijfers van Nederland vergelijken met die van VS.

Hoewel de cijfers in Nederland iets minder extreem zijn als in de VS, geeft maar 24% het juiste percentage in Nederland en 19% van de Nederlanders denkt dat de kans 50% of meer is om dan in het ziekenhuis te komen. Terwijl in de VS 59% denkt dat minstens 20% in het ziekenhuis zal komen denkt 38% dat in Nederland.

Via extra analyses hebben we gekeken hoe de samenhang van deze antwoorden in Nederland is met diverse persoonlijke kenmerken. Dan blijkt leeftijd de meest bepalende te zijn bij die schatting.

Dus 66% van alle Nederlanders van 65 jaar of ouder, denkt dat de kans om in het ziekenhuis te komen voor een ongevaccineerde, die Covid-19 oploopt, 30% of hoger is. (Terwijl dus de werkelijke kans rond de 1% ligt).

Hoe groter men blijkbaar de dreiging ervaart van een ernstig verloop van de ziekte bij zichzelf (en die dreiging is bij oudere personen duidelijk hoger dan bij jongere) hoe hoger men blijkbaar het risico voor alle anderen inschat. Ofwel: hoe gevoeliger men is voor informatie over de dreiging van het virus.

Als we naar andere kenmerken kijken dan zien we trouwens ook nog een fors verschil tussen mannen en vrouwen. Onder de vrouwen denkt 43% dat het percentage 30% is of hoger en onder de mannen is dat 24%. Een deel van het verschil hangt samen met het feit dat de gemiddelde leeftijd van vrouwen hoger is dan van mannen, want leeftijd speelt bij deze beoordeling een dominante rol.

Naar politieke voorkeur

Maar, zeker gezien de bijzondere resultaten in de VS met forse verschillen naar politieke partij, is het interessant om te zien hoe de verschillen zijn naar de politieke voorkeur. In de onderstaande grafiek staat de huidige politieke voorkeur afgezet.

CDA en PvdA (met veel oude kiezers) overschatten de kans het sterkst. Van de CDA-kiezers denkt 61% dat de kans op ziekenhuisopnames hoger is dan 30% en maar 5% noemt het juiste cijfer (1%). Alleen de kiezers van FVD geven voor 70% het juiste antwoord.

Kansrijk indicator TK2017 – TK2021

door Dennis Brouwer en Maurice de Hond

Wat is de kansrijk-indicator?

Bijna vijf jaar geleden werd bij Peil.nl “kansrijk-indicator” geïntroduceerd. Een indicator, die sterk differentieert naar stemgedrag van de Nederlanders.

Deze indicator bestaat uit een combinatie van twee vragen:

  1. Maakt u zich zorgen over uw financiële toekomst?
  2. Vindt u dat de ontwikkelingen in de wereld van de laatste 10 à 20 jaar u vooral kansen biedt of bedreigingen?

In september 2016 bleek het volgende:

  • Maken zich zorgen over financiële ontwikkelingen en zien vooral bedreigingen stemden voor 61% PVV, SP of 50PLUS en.
  • Maken zich geen zorgen over financiële ontwikkelingen zien vooral kansen stemden slechts voor 13% deze drie partijen.

Na de verkiezingen van de Provinciale Staten 2019 maakten we een uitgebreide analyse van deze kansrijk-indicator.

Bij de verkiezingen voegden we FVD toe aan de groep van drie partijen. De cijfers waren vrijwel hetzelfde als 3 jaar eerder. Van degenen die zich zorgen maken over financiële ontwikkelingen en vooral bedreigingen zien stemde 59% die vier partijen. Als men zich geen zorgen maakte en vooral kansen zag stemde men maar voor 10% deze vier partijen.

Tweede Kamerverkiezingen 2021

Allereerst het overzicht van de twee centrale vragen naar het stemgedrag TK2021

 

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van maart jl. zien we het patroon van TK2017 en PS2019 weer terug, maar wat minder sterk. Van de mensen die zich zorgen maken over hun financiële toekomst en vooral bedreigingen zien stemden nu 44% PVV, SP, 50PLUS of FVD. De groep die zich geen zorgen maken en vooral kansen zien stemde voor 10% op één van deze vier partijen.

Vanuit de verkiezingsuitslag per gemeente kunnen we via twee kaarten een beeld geven van de ontwikkelingen onder het electoraat in de richting van deze indicator tussen 2017 en 2021.

Daarvoor nemen we de uitslag per gemeente van twee groepen partijen.

  • PVV+SP+FVD (partijen met een duidelijke oververtegenwoordiging van kiezers die vooral bedreigingen zien)
  • D66 + GroenLinks +Volt (partijen met een duidelijke ondervertegenwoordiging van kiezers die vooral kansen zien) Volt deed in 2017 niet mee, maar we tellen die partij in 2021 wel mee.

En per partij kennen we per gemeente de score toe, die we landelijk zien op de vraag of men vooral kansen of bedreigingen ziet. (Dit is natuurlijk een aanname, omdat dat weer per gemeente kan verschillen, maar is toch voldoende om het overall beeld te kunnen geven)

Dit zijn de twee kaartjes.

Van TK2017 naar TK2021 zien we dat in het Noorden en Oosten van het land (in het bijzonder in Friesland, Overijssel en Flevoland) er relatief steeds meer op partijen wordt gestemd waarvan de kiezers meer bedreigingen dan kansen zien door de veranderingen in de wereld. Opvallend is dat we dan BBB nog niet eens bij de ‘bedreigingen’-partijen hebben meegerekend, dan zou de verschuiving ongetwijfeld nóg groter zijn. Juist in gemeenten waar BBB het goed deed steeg D66 vaak amper en zagen we GroenLinks relatief heel hard dalen. Volt haalde daar vaak ook relatief weinig stemmen. En het zijn wel vaak gemeenten waar PVV, FVD en SP samen al relatief sterk waren en het ook nu (ondanks de concurrentie met BBB) vaak beter doen dan in 2017.

We zien dit ook in het zuiden van Limburg en in een aantal gemeenten rondom Rotterdam en Amsterdam. De gemeenten gaan zowel van een gemengd beeld naar ‘meer bedreigingen’ als van ‘meer bedreigingen’ naar ‘veel meer bedreigingen’.

Aan de andere kant zien we dat in een strook van Rotterdam naar Leiden een aantal gemeenten t.o.v. TK2017 relatief wat meer stemgedrag laten zien in de richting van de ‘kansen’-partijen. Hierbij lijken (voor)stedelijke gemeenten als Rotterdam en Leidschendam-Voorburg voorop te lopen (opvallend genoeg gemeenten waar de huizenprijzen in de afgelopen jaren uitzonderlijk hard stijgen). Ook Wassenaar zien we overspringen. Dit komt met name doordat D66 en Volt het zeker in de rijk(st)e gemeenten nog (een stuk) beter doen dan vier jaar terug. Deze gemeenten gaan vaak van een meer gemengd beeld steeds meer richting de kansen of schieten helemaal door naar ‘veel meer kansen’.

In een strook gemeenten in Noord-Brabant van Tilburg via Eindhoven naar Nijmegen zien we een soortgelijk beeld. Dit hangt ook deels samen met het feit dat de VVD het in (Oost-)Brabant (duidelijk) beter heeft gedaan dan vier jaar geleden, waar m.n. de ‘bedreigingen-partijen’ onder geleden lijken te hebben. Maar het houdt ook sterk verband met opnieuw de sterke winst van D66 (en Volt) in rijke gemeenten als Vught, Waalre en Mook en Middelaar, die we naar donkergroen zien schieten. En in de steden en suburbs zien we ook weer een duidelijke stijging naar ‘kansen’.

Samenvattend:

Al met al lijken de trends in het kort als volgt:

D66+GL(+Volt) doen het steeds beter in rijke en/of stedelijke gemeenten, (in toenemende mate) relatief minder daarbuiten. Het omgekeerde geldt voor PVV+FVD+SP, die het in bijna alle andere gemeenten (m.u.v. Oost-Brabant dus) relatief beter doen dan vier jaar terug. Voor die laatste drie partijen geldt ook dat er een duidelijk verband is met de ontwikkelingen in de afgelopen vier jaar en de briefstemmen, hetgeen ons sterkt in het vermoeden dat deze ontwikkeling zich komend decennium (sterk) door zou kunnen blijven zetten.

Al met al lijkt het alsof deze twee groepen (geografisch) steeds verder uit elkaar komen te liggen en elkaar minder zullen tegenkomen. Het lijkt een beetje op de electoraal-geografische verschuivingen die we de afgelopen twee decennia in de Verenigde State, maar ook meer recent in andere Westerse landen hebben gezien. Wat dat voor gevolgen heeft voor de politieke en maatschappelijke verhoudingen, zullen we de komende jaren moeten zien.

Concurrentie tussen partijen bij TK2021

door Dennis Brouwer en Maurice de Hond

Vanuit de afzonderlijke uitslagen per stembureau (waarvan we er ruim 10.000 in de analyse hebben meegenomen) is op een speciale manier na te gaan in welke mate de afzonderlijke partijen vaak of juist niet vaak samen op dezelfde plekken voorkomen. En dat is waarschijnlijk een goede indicatie van welke partijen met elkaar om (groepen) kiezers concurreren. Er wordt getalsmatig vastgesteld in welke mate er een samenhang is tussen de stembureau-uitslagen van de afzonderlijke partijen en met behulp van een clusteringsalgoritme is dit redelijk duidelijk zichtbaar te maken.

Op de website van Pointer is een interactieve kaart te vinden van de uitslagen per stembureau in Nederland op 17 maart 2021.

De analyse-methode is gebaseerd op een aanpak die Dennis Brouwer (naast zijn studie sinds 2018 parttime Data Scientist bij Peil.nl) gebruikte tijdens zijn Masterscriptie, die hij in 2020 aan de Erasmus School of Economics voor zijn studie Data Science geschreven heeft, met de titel Forecasting final results by disentangling local trends during a commencing election race (is nog niet gepubliceerd). Voor dit nieuwe artikel is gebruik gemaakt van een versimpelde versie om de belangrijkste trends zo duidelijk mogelijk weer te geven.

Maurice en Dennis tijdens de Europese verkiezingsavond bij GeenStijl in mei 2019

Als de samenhang tussen partijen hoog is, dan strijden die partijen vermoedelijk als het ware om dezelfde kiezers. Als er een sterk negatieve samenhang is dan is dat juist niet het geval en komen kiezers van deze partijen elkaar waarschijnlijk minder vaak tegen.

Op basis van 10735 stembureaus hebben we deze analyse gemaakt. De grafiek laat de (statistisch significante) resultaten zien. De groene kleur geeft aan dat een positieve samenhang is en de paarse kleur dat er een negatieve samenhang is. De omvang van het bolletje geeft aan de mate waarin de samenhang is binnen die specifieke categorie, zoals aan de rechterkant is aangegeven.

De twee grootste positieve correlaties, die we zien, zijn die tussen D66 en Volt en tussen Denk en Nida. Dus ruim boven de 0,75 (met 1 als hoogste waarde). De twee grootste negatieve correlaties zijn tussen PVV en D66 en tussen CDA en GroenLinks. Kiezers van PVV en D66 stemmen dus op heel verschillende plaatsen. En hetzelfde geldt voor CDA-kiezers aan de ene kant en GroenLinks-kiezers aan de andere kant.

Verder valt op dat GroenLinks, de Partij voor de Dieren, Volt, D66 en BIJ1 samen onderling vaak voorkomen. En een andere groep die we vaak samen zien zijn FvD, PVV en Code Oranje. Interessant om op te merken is dat JA21 in grotere mate met de VVD lijkt te concurreren dan met PVV en FvD. Als deze trend doorzet zou JA21 de groep kiezers die op een partij rechts van de VVD stemt kunnen verbreden. De VVD heeft aan de andere kant weer weinig verbanden met alle linkse partijen. VVD-ers wonen zo mogelijk minder vaak samen in hun wijk met linkse kiezers. De partij komt echter wel vaker samen voor met 50Plus (waar de partij ook ten opzichte van de vorige verkiezingen van heeft gewonnen) en met het CDA.

We zien dat het CDA relatief vaak samen voorkomt met de BoerBurgerBeweging. Beide partijen doen het goed op het platteland en dan in het speciaal in een strook gemeenten van Friesland tot aan Overijssel. Het CDA komt ook relatief wat vaker samen voor met VVD, 50Plus, PvdA en ChristenUnie. Allemaal partijen die het goed tot zeer goed deden bij de oudste groep kiezers, hetgeen verklaard kan worden door het tellen van de briefstemmen onder 70-plussers per gemeente als los stembureau. De SGP komt zoals verwacht zou kunnen worden vaak samen voor met de ChristenUnie en de PvdA met de SP. Bij de PvdA valt ook nog op dat de partij weinig samen voorkomt met VVD, FvD en JA21, maar dit is een stuk minder het geval in combinatie met de PVV. Daar is mogelijk nog wel wat overlap.

Per partij is goed te zien met welke andere partij er hoge positieve correlaties zijn  en met welke hoge negatieve correlaties. De partijen met hoge positieve correlaties concurreren vermoedelijk sterk met elkaar om de kiezers. Andersom komen de kiezers van partijen die samen een negatieve correlatie hebben weinig samen voor. Daar is waarschijnlijk weinig concurrentie tussen.

Dit zijn belangwekkende patronen, die ook een bevestiging zijn van de grote mate van tweedeling in de samenleving. Niet alleen opleiding speelt daarbij een rol, maar ook of men t.a.v. de veranderingen in de wereld in de laatste 20 jaar met name denkt meer kansen gekregen te hebben of juist meer bedreigingen ervaart.

Op dat onderwerp in relatie tot TK2021 gaan we de volgende keer in.

 

Versplinterde formatie

In een ander verslag hebben we de zetelverdeling van dit moment laten zien en de positie van Pieter Omtzigt.

 

De uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen geeft extra grote uitdagingen voor het formatieproces. Met geen enkele combinatie van drie partijen is er een kabinet van meer dan 75 zetels te vormen.

Het formatieproces is nog bemoeilijkt door de valse start van de eerste twee informateurs, waarvan de gevolgen nog niet precies te overzien zijn.

Aan de kiezers van de afzonderlijke partijen is gevraagd om een rangorde aan te geven van de regeringscombinaties die men het liefste zou willen. Op basis daarvan is er een rangorde gemaakt van die voorkeuren.
In de grafiek hieronder kunt u zelf één of meer partijen selecteren om daar die voorkeuren apart te bekijken.

Als we naar de cijfers van alle kiezers kijken zien we hoe groot ook op dat punt de versplintering is. Maar als we kijken naar de voorkeuren van de kiezers van de drie partijen met de grootste kans om in het kabinet te komen (VVD, D66 en CDA) dan zijn er toch combinaties die een grotere voorkeur hebben.

De combinatie VVD-D66-CDA met JA21 staat op de eerste plaats als we naar alle kiezers samen kijken.  Voor kiezers van VVD en CDA staat die combinatie op de 1e en de 2e plaats. Maar voor de kiezers van D66 staat die combinatie op de 6e plaats.

De combinatie VVD-D66-PvdA-SP-GroenLinks staat bij alle kiezers samen op de tweede plaats. Maar voor de kiezers van de VVD staat die combinatie op de 10e plaats.

De combinatie VVD-D66-CDA met PVV staat op de derde plaats. Maar voor de kiezers van D66 staat die combinatie op de 9e plaats en

Er zijn drie combinaties van VVD-D66-CDA met een andere partij, die door de kiezers van geen van de drie partijen op de 6e plaats of hoger worden gezet:

    • met de PvdA  ( resp. 4-1-3)
    • met de ChristenUnie (resp. 2-5-1)
    • met VOLT (resp 3-3-4)

Er zijn nog een aantal andere vragen gesteld over de formatie.

Allereerst is gevraagd of men voor een crisiskabinet is, die zich alleen richt op de volgende 12 maanden en alle partijen, die dat willen aan mogen meedoen. Een derde van de kiezers is hiervoor.

Vervolgens is gevraagd of men de voorkeur geeft aan een kabinet met ministers, die vakdeskundigen zijn in plaats van politicus. 56% geeft daar de voorkeur aan:

Deze vraag is ook in juli 2016 gesteld en in september 2020. In 2016 was daar 37% voor en in september 2020 47%. Nu is het dus 56%.  Aan het eind van de formatie zal deze vraag nog een keer gesteld worden om vast te stellen of dit antwoord een structurele ontwikkeling betreft of komt door de gebeurtenissen van afgelopen donderdag en het vervolg ervan.

 

 

TK2021 naar een groot aantal kenmerken

Via Peil.nl vragen we op de verkiezingsdag aan onze respondenten niet alleen wat ze gestemd hebben, maar ook een groot aantal andere kenmerken. Op die manier kan als het ware de verkiezingsuitslag bepaald worden voor alle onderscheiden subgroepen. Dat loopt van lezers van dagbladen via de supermarkt waar men klant is tot het merk smartphone dat men bezit.

Vergelijkbare overzichten zijn ook gemaakt bij TK2012, TK2017, PS2011, PS2015 en PS2019.

Het complete overzicht aan tabellen en grafieken treft u in deze pdf-file aan: Uitslagen TK2021 naar groot aantal kenmerken

Van de 14 tabellen uit de bijlage zijn er 7 gekozen om ook grafisch weer te geven. Hieronder treft u die grafieken aan.

Het onderzoek was uitgevoerd onder bijna 20.000 Nederlanders:

 

 

 

 

 

 

 

Voor meer informatie kunt u dus dit bestand downloaden: Uitslagen TK2021 naar groot aantal kenmerken

En hier treft u de demografische kenmerken en kenmerken aan over beroep en de uitslag van PS2019.

Het electoraat op hol – TK2021

In de komende dagen verschijnen diverse analyses van de verkiezingsuitslag van TK2021. Dit is de eerste van deze serie:

De lont kwam toch nog in het kruidvat

Eind februari beschreef ik de electorale situatie van de grote mate van stabiliteit aan de buitenkant van de wekelijkse peilingen aan de ene kant , en aan de andere kant de vele kiezers, die meerdere partijen nog een kans gaven. Ik stelde toen de vraag: “Komt de lont nog in het kruitvat?”. Dat is de laatste week inderdaad gebeurd, door de snelle opkomst van Sigrid Kaag/D66. Ten opzichte van zondag 7 maart steeg D66 van 14 naar 24 zetels.

Bij een verkiezing, die voor Coronatijd -ook internationaal gezien- een heel hoge opkomst had. Slechts 2,5% lager dan in 2017. Een waarde, die ik zeker niet verwacht had. Een analyse daarvan volgt in de loop van de week.

Nu de rookwolken opgetrokken zijn en D66 4 zetels gewonnen heeft (in plaats van de aanvankelijke 27 uit de exitpoll) is er een goed beeld te geven van de forse overgangen tussen partijen. Als je die ziet is een wonder dat de grootste verschuiving maar 6 zetels is geweest (GroenLinks -6 en FVD +6).

Een kleine waarschuwing t.a.v. de einduitslag. Er zijn uiteindelijk 10 restzetels verdeeld, hetgeen een ongewoon groot aantal is. Als bij de definitieve telling van de Kiesraad de uitslag van een partij een paar duizend stemmen verschilt van de voorlopige uitslag dan zou best een restzetel van de ene partij naar de andere kunnen verschuiven. Er is namelijk sprake van een delicate balans. Mocht één van de kleinere partijen een zetel toch kwijtraken -en FVD zit niet ver boven de grens van de 8e zetel- dan zou de VVD of D66 ervan kunnen profiteren. Mocht Volt of JA21 toch een vierde zetel krijgen, dan zou FVD of de VVD daar last van kunnen krijgen.

De grote verschuivingen tussen de partijen

Hieronder treft u vier grafieken aan die de verschuivingen tussen de partijen goed weergeven. Voor de geinteresseerden naar alle cijfers t.a.v. de overgangen treft u onderaan dit deel de mogelijkheid om het excel file met de basiscijfers voor de grafieken te downloaden.

Naast deze grafieken treft u onderaan ook de overgangstabellen van vorige verkiezingen aan, zoals die nog op Peil.nl terug te vinden zijn. Daaruit is ook goed op te maken hoeveel groter de bewegingen tussen partijen dit keer is geweest t.o.v. vorige verkiezingen. Zeker als we beseffen dat de grootste verschuiving van één partij “maar” 6 zetels is geweest.

Grafiek 1 laat zien wat de kiezers van de verschillende partijen in 2021 bij TK2017 gestemd hebben. Dus als u de regel van de VVD bekijkt dan staat er het volgende: Van degenen die bij TK2021 VVD stemden, heeft 57% in 2017 ook VVD gestemd. Daaronder kunt u aan de kleuren bij D66, PVV en CDA zien dat die die waardes ongeveer even groot zijn. (ze zijn 7%, 7% en 8%). Dus van de kiezers in 2021 die VVD stemden, stemde dus 7% D66 in 2017.

Als we de kiezers uit deze grafiek verwijderen, die op dezelfde partij hebben gestemd als in 2017, dan zien we de grafiek die laat zien waar de partijen hun winst vandaan haalden.

De grafiek laat o.a. zien dat 31% van de nieuwe kiezers bij D66 in 2017 VVD hadden gestemd. JA21 trok met name kiezers van VVD, PVV en FVD. Volt met name van GroenLinks, PvdA en D66.

De volgende grafiek betreft een overzicht van waar de kiezers van TK2017 naar toe zijn gegaan. Dus van de kiezers van de VVD uit 2017 stemde in 2021 67% VVD. Dat is al geen echt hoog percentage. Maar bij de andere partijen is het (nog) lager. Bij winnaars als FVD en D66 zien we slechts percentages van 27% en 58%.

Besef dat dat betekent: Ruim 40% van de kiezers uit 2017 van één van de winnaars: D66 heeft nu een andere partij gestemd. Alleen door een grote instroom van kiezers van andere partijen kon D66 dus winnen.

 

Ten slotte de grafiek waar het verlies van de partijen van de kiezers van TK2017 naar toe gegaan is. Goed is te zien hoezeer de VVD heeft geprofiteerd van de aantrekkingskracht van Mark Rutte in deze Coronatijd.  Alleen daardoor heeft de VVD toch nog gewonnen, terwijl het een derde deel van de kiezers uit 2017 is kwijtgeraakt.

Dit is het spreadsheet aan met alle getallen van deze grafieken. U kunt het downloaden als u op de link klikt.

Overgangentabellen TK2021 voor Peil.nl

Ter referentie zijn dit overgangtabellen van vorige Tweede Kamerverkiezing. TK2017,  TK2012TK2010. TK2006.

Enkele bijzondere kaartjes

De electorale verschuivingen kunnen ook via kaarten worden weergegeven. Er zijn/worden nog vele gemaakt. Op deze plek volgen er een aantal van Josse de Voogd en Dennis Brouwer. (Met Dennis en Frank Tieskens, 00k een datakoning, is t.b.v. van de uitslagenavond van Geen Stijl, een voorspellingsmodel opgesteld om op basis van de binnenkomende uitslagen per gemeente, zo snel mogelijk de echte einduitslag te kunnen inschatten. Kort na middernacht, toen er nog maar ruim 50 -vooral kleinere- gemeentes binnen waren gekomen, zat dat model al heel dicht bij de prognose van de uiteindelijke uitslag. Ook hier wordt nog snel op teruggekomen, zodat voortaan bij verkiezingen niet de ANP voorspelling meer leidend kan zijn op basis van de einduitslagen. Want bij ons model bij voorbeeld was het al heel snel duidelijk dat D66 de 27 of 26 zetels van de Ipsos exit-poll (die gezien de ingewikkelde omstandigheden verder best goed was) zeker niet zou halen. Al snel zaten wij rond de 23.

Dit zijn een paar kaartjes van de creatieve electoraal geograaf Josse de Voogd van de einduitslag.

 

En dit is de kaart van het “Hopsakee”- initiatief van Cohen, als de drie linkse partijen samen het huidig resultaat hadden gehaald. Ook deze drie linkse partijen samen zou nog maar in een beperkt aantal gemeenten tot de grootse partij hebben geleid.

Ten slotte de kaart van Dennis Brouwer over de grootste linkse partij per gemeente.

In de komende week verschijnen er nog een aantal andere analyses en overzichten van onze hand.

De PvdA, na het terugtreden van Asscher

Na de desastreuze nederlaag van de PvdA in maart 2017  met 6% van de kiezers (9 zetels) kwam er onder Asscher herstel. Eind 2019 was de hoogste score in de peiling 20 zetels. Maar sinds mei 2020 ging het langzaam bergafwaarts met een score van slechts 11 zetels vorige week. En na het aftreden van Asscher is de score deze week slechts 10 zetels, slechts 1 meer dan maart 2017.

De grote vraag is of de PvdA in staat is om toch bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen een duidelijk beter resultaat te halen dan die 10. Uit het onderzoek van vandaag blijkt 15% van de Nederlandse kiezers de PvdA een kans te geven op een stem.  Daarvan geeft nu dus ruim 6% aan PvdA te stemmen. De overige van de potentiele PvdA kiezers geven nu met name aan GroenLinks, D66 of SP te stemmen of aan te geven nu niet te weten op welke partij te stemmen.

De nieuwe lijsttrekker van de PvdA wacht een zware taak om onder deze conditities toch 15 zetels te halen of meer.

In ons onderzoek van gisteren hebben we vier mogelijke lijsttrekkers aan de kiezers, die de PvdA niet uitsluiten, voorgelegd.

Eerst is gevraagd wie men het liefst van de vier voorgelegde namen zou willen als lijsttrekker:

Er is weinig verschil bij de beamtwoording van de vraag tussen degenen die nu al zeggen dat ze PvdA stemmen en degenen die dat nu niet aangeven en de PvdA wel een kans geven.

Vervolgens is aan deze groep kiezers voorgelegd welke kans ze geven PvdA te stemmen met één van die vier als lijsttrekker. Dan zien we het electorale potentieverschil voor de vier genoemde personen. Dit is de optelling van het antwoord “zeker wel” en “waarschijnlijk wel” onder die groep van 15% van de Nederlanders. De 66% bij Aboutaleb betreft dan 10% van alle kiezers (15 zetels). Maar let op want de helft van deze groep zegt “waarschijnlijk wel” en de ervaring leert dat je hiervan maar een deel echt PvdA gaat stemmen :

Juist omdat deze groep slechts 15% groot is zijn dit geen hoopgevende cijfers voor de PvdA. Alleen bij Aboutaleb zien we dat degenen die vooraf zeggen de PvdA geen kans te geven op een stem (en dus niet bij die 15% behoren) dat dan nog 4% aangeeft met hem de PvdA toch wel te overwegen. Maar ook dat kan niet meer dan 3 zetels extra opleveren.

Al met al lijkt het erop dat welke keuze de PvdA ook maakt de kans dat de PvdA het één-na-slechtste resultaat haalt uit de electorale geschiedenis ooit. Een partij, die in de 20e eeuw gewend was tussen de 25% en 35% van de kiezers achter zich te krijgen, mag nu heel blij zijn als het 10% wordt.

Stellingen over de laatste dagen van Trump als president

Mede naar aanleiding van de gebeurtenissen in Washington van de afgelopen week zijn er 5 stellingen aan de Nederlanders voorgelegd over president Trump en de polarisatie. De verschillen naar huidig stemgedrag zijn groot, zoals u ziet.

 

Stemmen per post bij TK2021 in maart

In de peiling van deze week zijn er een aantal vragen gesteld over de aanstaande verkiezingen op 17 maart.

Voor de eerste keer mag er in Nederland per brief worden gestemd. Maar dat mogen alleen de bijna 2,4 miljoen kiezers van 70 jaar en ouder.

Van de groep van 70 jaar en ouder geeft bijna 40% aan, dat ze van plan zijn om op 17 maart per brief te stemmen. Van alle kiezers geeft 25% aan zelf het liefst per brief te stemmen.

Aan de kiezers is vervolgens gevraagd wat zij vinden van dit stemmen per brief. Dit is dan hun antwoord naar hun huidig stemgedrag.

Aan de kiezers onder de 70 jaar isgevraagd wat zij op 17 maart gaan doen als het huidige voorstel niet wordt veranderd. 10% van degenen die wel de vorige keer waren opgekomen geven dan aan wegens het mogelijk besmettingsgevaar zeker niet te gaan stemmen of waarschijnlijk niet. Dat geldt meer voor vrouwen dan voor mannen en geldt meer voor oudere kiezers dan jongere kiezers.

Mocht op 17 maart de situatie nog steeds zijn dat nogal wat mensen bang zijn om besmet te worden dan zal dat effect hebben op de opkomst. En dat effect zal niet identiek zijn per partij.

 

PEIL.NL © NO TIES BV / VIEWTURE BV